Heruitgave autobiografie Rudolf Steiner
28 februari, 2025
Mijn levensweg
Aan het eind van zijn leven schreef Rudolf Steiner zijn memoires. De vraag kwam van de hoofdredacteur van het openbare weekblad Das Goetheanum, Albert Steffen. Zijn vraag stond in verband met de aanstaande Kerstbijeenkomst 1923, waar Steiner de Antroposofische Vereniging zou heroprichten en zelf het voorzitterschap op zich zou nemen. Dan zou het passend zijn als er een goede beschrijving van zijn leven kwam, zodat onjuiste verhalen over hem al van tevoren werden tegengesproken.
Tekst: Michel Gastkemper
De eerste aflevering verscheen op 9 december 1923, twee weken voor het begin van de Kerstconferentie. Week na week, zonder onderbreking, verscheen een nieuwe aflevering. Hoe druk Steiner het in het vervolg ook had en waar hij ook onderweg was, Steffen ontving van hem de kopij voor de komende week. Steiner begon bij zijn geboorte op 27 februari 1861. Hij was in staat zeventig afleveringen te schrijven, zijn dood op 30 maart 1925 verhinderde de voltooiing van zijn levensverhaal. Hij was toen aangekomen bij de beschrijving van het jaar 1907.
Zijn weduwe, Marie Steiner, die zijn erfgenaam en uitgever was, verzorgde meteen in zijn sterfjaar de uitgave van dit onvoltooide manuscript. Ze maakte er 38 hoofdstukken van en schreef er een inleiding bij. Steiner zelf had de intentie om, als hij klaar was met zijn levensbeschrijving, een boek ervan uit te brengen met toevoegingen waarvan hij vond dat hij die in een openbaar weekblad niet kon publiceren. Daar is het dus niet meer van gekomen.
Een eerste Nederlandse vertaling verscheen bijna veertig jaar geleden. Ruim tien jaar later, in 1993, kwam er een nieuwe vertaling uit in de prestigieuze serie Werken en voordrachten van uitgeverij SteinerVertalingen. Het boek is al jaren uitverkocht. De vraag van boekhandelaar Herman Boswijk jaren geleden of er nog een herdruk kwam, bracht het balletje aan het rollen. Een treffend moment daarvoor zou het honderdste sterfjaar van Steiner in 2025 zijn. Een publicatie van Irene Diet over dit boek wees welke vorm het nu zou kunnen aannemen. Zij betoogde namelijk dat het veel beter is om de zeventig afleveringen als zelfstandige hoofdstukken te beschouwen, dat daaruit veel sterker de intentie van Steiner tevoorschijn komt waarom hij juist dat uit zijn leven in die aflevering beschrijft.
En zo gebeurde. De 38 hoofdstukken werden uit elkaar gehaald en weer teruggebracht tot de oorspronkelijke zeventig delen. Dat geeft toch weer een heel ander beeld van Steiners eigen levensbeschrijving. Er was dertig jaar geleden door de vorige redactie bij dit boek al een uitvoerige inhoudsopgave gemaakt, als een soort navigatie door de hoeveelheid aan verschillende verhalen die Steiner optekende. De huidige redactie heeft daarvan in elk hoofdstuk tussenkopjes gemaakt, voor de overzichtelijkheid en leesbaarheid. Al met al zijn dat behoorlijke redactionele ingrepen.
Het nawoord van Christoph Lindenberg blijft onverkort accuraat, waar hij bijvoorbeeld de verdere ontwikkeling van Steiners laatste achttien jaar beschrijft. Hans Stolp is gevraagd een nieuwe inleiding op dit boek te schrijven, waarin hij vooral Steiners ontwikkeling in de beleving van Christus naar voren haalt. De vertaling is nauwkeurig nagezien, de informatie van aantekeningen en literatuur is geactualiseerd.
Andere biografieën
In dertig jaar tijd sinds de vorige uitgave is er veel nieuws ontdekt over Steiners leven. Bijvoorbeeld over de juiste geboortedatum van Steiner; een tijdlang is er onzekerheid geweest of die nu op 27 of op 25 februari viel, in de hand gewerkt door een uitlating van Steiner zelf. Maar nauwkeurig onderzoek heeft uitgewezen dat die datum toch niets anders is dan 27 februari. Ook de datum van 29 september 1900, waarop Steiner voor een theosofisch gehoor zijn eerste ‘antroposofische voordracht’ zou hebben gehouden, is slechts een aanname en klopt strikt gesproken niet. En zo is er nog veel meer in deze nieuwe uitgave te vinden, dat een verrijking vormt in vergelijking met wat eerder is verschenen.
Christoph Lindenberg wist twee jaar voor zijn dood in 1999 zijn levenswerk te voltooien: een tweedelige biografie over Steiner van ruim duizend bladzijden. Al in 1988 had hij een Chronik 1861-1925 samengesteld, waarin hij dag voor dag nagaat wat Steiner op die datum deed. In 2012 verscheen van Peter Selg een driedelige Steinerbiografie, qua omvang het dubbele van die van Lindenberg, van ruim tweeduizend pagina’s. Zes jaar later werden er zeven delen van gemaakt, maar de inhoud bleef ongewijzigd.
Zoals Lindenberg zelfstandig nader onderzoek deed naar bepaalde thema’s in Steiners leven, was Selg het er nog meer om te doen om leven en werk samen van Steiner in ogenschouw te nemen. Hij greep daarbij ook dikwijls terug op wat Steiner in voordrachten had verteld en citeerde daar hele stukken uit. Zijn oorspronkelijke derde en laatste deel bestreek slechts de laatste twee hectische en overvolle jaren van Steiners leven en toonde vooral de diepe tragiek ervan.
Deze twee biografieën vormen hedendaagse mijlpalen in het onderzoek naar Steiners leven, ze zijn hiervoor onmisbare referentiepunten. Recent is er een derde bron bijgekomen, die nog in ontwikkeling is. In 2018 verscheen het eerste deel ervan, de biografie van de eerste 23 jaar van Steiners leven, door Martina Maria Sam. Drie jaar later kwam het tweede deel uit, over de Weense jaren van Rudolf Steiner, van 1884 tot 1890, wanneer hij naar Weimar vertrekt. Vervolgmateriaal voor die periode in Weimar werd van tijd tot tijd door haar gepubliceerd in weekblad Das Goetheanum. Het boek hiervan is nog niet verschenen. Momenteel is zij aangeland bij Steiner Berlijnse periode.
Het bijzondere van Sam is dat zij medebezorger is van de meest recente delen in de Gesamtausgabe met de brieven van en naar Steiner. Waren daar vroeger twee delen van, bij de voltooiing van het volledige verzameld werk van Rudolf Steiner in dit geplande jubileumjaar zijn deze uitgegroeid tot zes kloeke delen met commentaar. Zij maakt dankbaar gebruik van deze grote hoeveelheid gegevens. Ongekende schatten weet zij op te delven. Na honderd jaar komen er nog steeds nieuwe, spannende zaken aan het licht. Zoals zijn relatie tot vrienden en vriendinnen. Dat Steiner tweemaal trouwde is bekend, dat hij een jeugdliefde had, Radegunde Fehr, is ook bekend. Over haar schrijft hij in zijn autobiografie zonder haar naam te noemen. Via een vriend uit zijn schooltijd, Moritz Zitter, had Steiner serieus kennis gekregen aan een tot nu toe onbekende Friederike Weiss in Sibiu in Transsylvanië (destijds Hermannstadt in Hongarije). Het kwam zelfs tot een verloving, maar uiteindelijk had de dertigjarige Steiner haar laten zitten, tot grote spijt van haar en haar familie.
“Toen en nu”
Lindenberg was er al mee begonnen om wat Steiner aan het eind van zijn leven in zijn autobiografie schrijft, te vergelijken met hoe Steiner zelf zich in het verleden, in die beschreven levensfasen, had geuit. En dan blijkt dat Steiner in zijn zestiger jaren de ervaringen eerder in zijn leven opgedaan, in zijn twintiger, dertiger en veertiger jaren, terugblikkend heel anders beoordeelt dan op het moment zelf. De hoogten en diepten zijn doorstaan en doorleden, nu worden daar de vruchten van geplukt. Die dan lang zo spannend niet meer zijn als op het moment zelf, wanneer hij zelf nog niet weet waartoe alles leidt.
Vooral in Weimar speelt dit sterk op. Steiner voelt zich daar doodongelukkig, omdat zijn werk aan Goethe in een wetenschappelijke uitgeversmal geperst moet worden, waaraan hij de grootst mogelijke hekel heeft. Dat is in tegenstelling tot wat hij aanvankelijk van zijn werk verwachtte. Hij vlucht in allerlei nevenwerkzaamheden om toch maar iets interessants te doen te hebben. Hij doet járen over het realiseren van de delen die hij moet verzorgen. Eerder in Wenen was dit steeds uitstellen ook al het geval, waarbij hij zijn toenmalige uitgever tot het uiterste op de proef stelde en feitelijk meermaals schoffeerde. In Mijn levensweg wordt alles heel geserreerd door Steiner opgediend, je moet goed tussen de regels door lezen om te zien wat er eigenlijk staat.
Martina Maria Sam biedt veel van de extra informatie die Steiner mogelijk zelf in een boekpublicatie zou hebben willen toevoegen. Een klein voorbeeld: hoofdstuk 20 in de heruitgave van Mijn levensweg kent als hoofdpersoon de dichter Fercher von Steinwand. Steiner beschrijft hoe bijzonder hij deze man vindt. Vervolgens weidt hij uit over het thema karma en reïncarnatie, dat zich juist in deze tijd van zijn leven scherp begon af te tekenen; niet theoretisch, maar praktisch, in de aanschouwing. Hij schrijft: “… in de mimiek, in ieder gebaar van Fercher vertoonde zich aan mij een zielsessentie, die slechts gevormd kon zijn in de begintijd van de christelijke ontwikkeling, toen er in die ontwikkeling nog Grieks heidendom doorwerkte.” Het is wat versluierd opgeschreven, maar het is duidelijk dat Steiner hier zinspeelt op een vorige incarnatie van deze dichter, inclusief de historische periode.
Het leven van Steiner zelf is een onuitputtelijke bron, waarin veel, zo niet alles, al aanwezig is dat tot antroposofie leidt.
Rudolf Steiner, Autobiografie – Mijn levensweg, met een inleiding van Hans Stolp en een nawoord van Christoph Lindenberg, 660 blz, SteinerVertalingen 2025, € 49,50. De boekpresentatie met Hans Stolp vindt plaats op 30 maart 13.15-14.00 uur in de Flint te Amersfoort, als onderdeel van het evenement Mens & Kosmos.
Op de foto's: jeugdportret van Steiner en de oorspronkelijke klassenfoto uit 1879
Dit artikel verscheen in Motief 290 van maart 2025